Leerpreek
Er is niet vaak over Psalm 137 gepreekt en als de psalm besproken wordt, wringt de uitlegger zich in allerlei bochten om de wraakwoorden een plek te geven. Ik kom hierop, omdat er in oktober vorig jaar een nieuwe bundel vertalingen van psalmpreken van Augustinus is verschenen, ‘Zingen in een vreemd land, Augustinus over de psalmen 135 – 141’. De titel van dit boek verwijst naar zijn preek over Psalm 137, die de vertalers zo genoemd hebben: Zingen in een vreemd land. Dat brengt mij ertoe om eens te gaan bekijken hoe de kerkvader met deze psalm omgaat. Het is weer een leerpreek uit de grote verzameling Verklaringen van de Psalmen, de Enarrationes, waarin de psalmen vers voor vers en soms woord voor woord worden verklaard.
Israël
In de verklaringen van Psalm 137 van onze tijd wordt de geschiedenis van Israël’s ballingschap verteld. Men blijft vrij dichtbij het volk Israël, verdrukt door de Babyloniërs, verlangend naar hun tempeldiensten in Jeruzalem. In zijn preek geen woord van Augustinus over de geschiedenis van Israël!
Van meet af aan betrekt de kerkvader de woorden van de psalm op de gelovige christenen als het nieuwe volk van God, alsof er geen Israël als volk van God is. Toch weet hij van de geschiedenis van het oude Israël. Waarom hij de geschiedenis niet noemt, verklaart hij midden in zijn preek, en dat is de sleutel om te begrijpen waar het om gaat. Hij zegt: ‘Jeruzalem ervoer aan den lijve dat het door de Babyloniërs, de Perzen, de Chaldeeën en andere mensen van die streken en volken, gevangen werd genomen. (..) Wij zeiden het al tegen u, geliefde broeders en zusters, dat wij alle dingen die in letterlijke zin gebeurden in die stad, in figuurlijke zin moeten opvatten. Het is gemakkelijk om te laten zien dat wij gevangenen zijn... etc.’ (En Ps. 137;7, blz 77)
Uitleg voor de ziel
In zijn boek ‘Wat betekent de Bijbel’ (De Doctrina Christiana) had Augustinus de regel gesteld, dat een letterlijke uitleg het begrip alleen maar op het lage vleselijke niveau houdt. Daar schiet de ziel niets mee op. In zijn jonge jaren was Augustinus in de letterlijke uitleg vastgelopen. Het was de redding van zijn twijfelachtige geloof, dat hij Ambrosius, de bisschop van Milaan, de Bijbel met een
diepere betekenis hoorde uitleggen. De geestelijke diepte. En dan gaat het niet om te vergeestelijken, schrijft hij in zijn leerboek, nee, het uiteindelijke doel van alle uitleg is om God te vinden en de belangrijkste regel van de uitleg is de liefde van God. Met de liefde als instrument benadert Augustinus de Bijbel met het doel uiteindelijk God te genieten.
Twee steden
Zo past de predikant de regel van de geestelijke uitleg vanaf de eerste woorden van zijn preek toe. ‘U weet van welke stad wij de bewoners zijn, waar wij ons tijdens ons verblijf in den vreemde bevinden, en dat de oorzaak van ons verblijf in den vreemde in de zonde ligt, maar de gave van de terugkeer in de vergeving van de zonden. U hoorde dat in ons lichaam voorlopig twee steden met elkaar vermengd zijn, die in ons hart gescheiden zijn en dat blijven tot aan het einde. De ene stad, waarvan het einde de eeuwige vrede is, heet Jeruzalem. De andere waarvan de vreugde de tijdelijke vrede is, heet Babylon. Ook de betekenissen van die namen kent u: Jeruzalem betekent ‘het zien van de vrede’, Babylon ‘de verwarring.’ Jeruzalem werd in Babylon gevangen gehouden...’ (En Ps. 137:1, blz 70).
Gezindheden
In een paar zinnen vat Augustinus samen waar zijn levenswerk over gaat, het grote boek ‘De Stad van God’. Van alle geleerdheid in dat boek brengt hij het eenvoudige principe over aan zijn ‘kinderen’, zijn toehoorders. Waarschijnlijk niet zijn eigen gemeenteleden, want volgens de geleerden heeft Augustinus deze preek ergens anders als gastpredikant gehouden. Zonder mitsen en maren echter gaat hij ervan uit dat zijn hoorders en hij burgers zijn van het heilige Jeruzalem, al zijn we nog helemaal niet los van die andere stad. Die twee gezindheden strijden om de voorrang in ons hart. En als Babylon de overhand heeft in ons, worden wij vervuld van verdriet en hunkeren wij naar de reine stad. Dat hebben wij gezongen met deze psalm, ‘Aan de rivieren van Babylon, daar zaten wij en weenden, terwijl wij terugdachten aan Sion.’ Hier zijn wij vreemdelingen op reis, vol heimwee en vol verlangen naar de beloofde stad, waar we in zuiverheid de lofzang zullen zingen. Zo krijgen we in een zinnetje gelijk liturgische informatie: de psalm die gelezen is, is ook gezongen. Niet berijmd zoals bij ons. Het zal op de wijze van een psalmemlodie geweest zijn, voorafgegaan en beantwoord met een keervers.
Lang
Het is een lange preek geworden. Het zou zo maar kunnen zijn dat de predikant anderhalf uur aan het preken is, en mogelijk langer. Daar gaven ze in de Oudheid niet om. Voor de mensen toen was het luisteren naar een lange toespraak wat voor ons het kijken naar een film is of het spelen van een game. Dan speelt tijd geen rol. Met genoegen luisterde men toen naar de taal, naar de woordspelingen, rijmwoorden en puntige gedachten.
De preek is te lang om hier te bespreken. Daarom, met weglating van heel veel interessante punten wil ik bekijken, wat de uitlegger zegt over die moeilijke tekst over het verpletteren van de kleine kinderen.
Kleine kinderen
De kerkvader past de kleine kinderen toe op ons, zijn hoorders en lezers. ‘Toen wij werden geboren, kreeg de verwarring van deze tijd greep op ons, kleintjes. En terwijl wij nog onmondige kinderen waren, verstikte Babylon ons met de ijdele opvattingen van verschillende dwalingen. Het pasgeboren kind zal een bewoner van Jeruzalem worden, daartoe is het voorbestemd, maar voorlopig wordt het gevangen gehouden. Het leert om te gaan houden van wat zijn ouders het influisteren. Die leren het kleintje om vakkundig steeds meer te willen hebben, anderen kaal te plukken, elke dag te liegen, en ongeoorloofde middelen te gebruiken, zoals amuletten. De tere ziel zal het voorbeeld van zijn ouders volgen. Babylon vervolgde ons toen wij nog klein waren. Maar toen wij groot werden, gaf God zich aan ons te kennen. Nu moeten wij voortgaan naar God en Babylon vergelden. Haar kleintjes moeten op de rotsgrond worden gesmeten worden en sterven. Die kleintjes zijn de pasgeboren begeerten. Smijt een begeerte, voordat zij kan uitgroeien tot een slechte gewoonte... tegen de rotsgrond’ ( En Ps. 137:21, blz 93). Op deze manier heeft Augustinus dus geen enkele moeite gehad met deze tekst.
Leeservaring
Mijn eerste leeservaring was, dat deze stijl van uitleggen ver van mij afstaat en dat ik daardoor bevreemd tegenover zo’n preek sta. Maar als ik er langer mee bezig ben en erin groei, krijg ik achting voor zoveel diepzinnigheid en enthousiasme voor de actuele vruchten die er in zo’n preek te plukken zijn. Niet om alles over te nemen, maar de woorden met geloof en gezag gebracht brengen dichter naar God toe. Ongetwijfeld zullen meer lezers enthousiast worden als zij in een bundel preken van Augustinus gaan graven.