• levering binnen 2-3 werkdagen
  • veilig betalen

In Christus gedoopt

Luther zei: ‘We moeten ons de doop ten nutte maken en ons ermee vertroosten en versterken als onze zonden en ons geweten ons bezwaren. Juist dan moeten we zeggen: ik ben gedoopt!’ We hebben ons hele leven genoeg aan het geheimenis van de doop. We raken nooit uitgedacht over deze werkelijkheid, omdat het hele Evangelie in de enkele druppels water tot uitdrukking komt. En we kunnen de doop voor onze kinderen alleen maar duiden als we eerst de rijkdom van onze eigen doop op een geestelijke en gelovige manier verstaan. Het gaat dus eerst om de vraag: hoe leven we als volwassen gelovigen uit de doop? In dit boek wil de auteur met de lezer op de golflengte van het hart luisteren naar de diepe inzichten die in de vroege gereformeerde traditie in het doopformulier zijn samengebracht.

Ruim twintig jaar geleden had dr. Van Vlastuin een moeilijke tijd. Een periode van nood, waar de hersteld hervormde predikant uit Wezep liever niet over uitweidt. Ter vertroosting nam hij het doopformulier bij de hand en liet hij de vijf eeuwen oude woorden diep tot zich doordringen. „Dit formulier intrigeerde me. Het heeft meerwaarde boven een studie over bijvoorbeeld een boek van een oudvader, want het is een katholiek document in de gereformeerde traditie.”

De voorganger vertrouwde zijn gedachten over de doop toe aan het papier, wat uiteindelijk resulteerde in de 432 bladzijden tellende publicatie ”In Christus gedoopt”. „Het is geen academisch boek, maar een wegwijzer voor geïnteresseerde, betrokken gemeenteleden. Verder heb ik het thema vanuit een niet-polemische, positieve geest benaderd. Vaak klinkt de meditatieve toon erin door.”

Als jonge gelovige had Van Vlastuin nog geen zicht op de betekenis van zijn doop. Toen hij predikant werd, veranderde dat enigszins, „want ik moest de doop onderzoeken wanneer ik erover preekte. Toch sprak ik aan het begin van mijn predikantschap slechts in het algemeen over de doop als een onderstreping van Gods genadeaanbod. Sinds die moeilijke periode ben ik echter bewuster over de doop gaan nadenken.”

 

Wat betekent de doop voor de kerkelijke gemeente?
„Dat de HEERE onze God is, zoals het staat geschreven in Exodus 20. Dat is de rode lijn van het verbond die door Gods Woord heen loopt. God is er voor u en Hij geeft Zichzelf. Dus niet een God of de God, maar ónze God. Het woord ”wil” in de zin uit het doopformulier „dat Hij in ons wonen, en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil”, betekent eigenlijk ”zal”. Een belofte dus.

In bevindelijk gereformeerde kringen weet men vaak niet goed raad met de doop.

In de westerse cultuur kwam vanuit het verlichtingsdenken van de laatste eeuwen de ervaring van de mens meer centraal te staan. Die tendens zie je ook wel bij christenen, met als gevolg dat wij het Woord steeds meer tot ons namen als alleen maar neutrale informatie.”

 

Dat gebeurde dus ook met de visie op het verbond en de doop?
„Mijns inziens wel. Door het Woord slechts als neutrale informatie te ontvangen krijg je ook een neutrale doopleer. Zo wordt de Geest losgemaakt van het Woord, omdat het om de onmiddellijke ervaring van de Geest in ons hart gaat. Het sacrament komt dan op afstand te staan. Net als een mooi voorwerp in een vitrinekast: je kunt het bewonderen of bestuderen, maar je hebt er geen persoonlijke band mee.

De leer van de doop gaat echter om de verbondsrelatie tussen God en de mens. Het sacrament van de doop kun je zien als de levende stem van God, die nauw verbonden is aan het geloof in Christus. Je kunt dus alleen in geloofsrelatie over de doop spreken.”

 

Omdraaien
De loskoppeling van geloof en doop in bevindelijk gereformeerde kringen heeft volgens de Wezepse pastor te maken met de vrees voor de leer van de veronderstelde en onbewuste wedergeboorte van dr. Abraham Kuyper, die losgemaakt werd van de daadwerkelijke bekering. „Die vrees is terecht. Maar we kunnen zó tegen het verbondsautomatisme ageren dat de doop en het verbond van God met ons verbleken.”

Dr. Van Vlastuin: „Als je zegt dat de doop en het verbond pas betekenis krijgen als je weet dat je uitverkoren bent, draai je het doopformulier om. Het formulier begint namelijk niet bij onze verkorenheid, maar bij onze verlorenheid. Vervolgens komen we bij
het verbond, waar het formulier zegt dat God de Vader met ons een eeuwig verbond van genade opricht. En pas dan komt de verkiezing. Omdat onze kinderen in het verbond zijn, is hun persoonlijke bekering nodig én mogelijk.”

 

Ds. L.G.C. Ledeboer zegt in zijn vragenboekje dat kinderen in hun doop grond hebben om te vragen om wedergeboorte. In uw boek stelt u dat het vragen om een nieuw hartje problematisch kan zijn. Moeten kinderen dat dan maar niet doen 

„Vragen om een nieuw hart is Bijbels en wedergeboorte is noodzakelijk. Daar mag je zeker om vragen als belofte van het genadeverbond in Ezechiël 36: „Ik zal het stenen hart wegnemen, en u een vlezen hart geven.” Ik wilde echter de vinger leggen bij een verkeerd gebruik van die uitdrukking.

Zorgelijk vind ik het als het nieuwe hart los komt te staan van het geloof in Christus en de vergeving, en de oproep tot dit gebed verandert in een fatalistische dooddoener. Het gevolg is dat we respectabele kerkgangers zijn die alles doen wat we kunnen en afwachten tot God ons bekeert. Het ”nieuwe hart” is geen eenmalige bijzondere gebeurtenis. Ook mensen met een nieuw hart bidden: „Schep in mij een rein hart.”

Deze manier van denken ben ik verschillende keren tegengekomen in het pastoraat. Ik herinner mij een oude vrouw die op haar sterfbed lag. Deze vrouw had geestelijke werkzaamheden, merkte ik. Toch zei ze: „Ik heb mijn leven lang om een nieuw hart gevraagd en dit niet gekregen.” Ik kreeg de indruk dat zij geen plotselinge, heftige bekeringservaring had, en daarom dacht dat ze een nieuw hart miste.

Ik herinner mij ook een vrouw in een sterfhuis, die nooit een kerkdienst bezocht. Toen ik met haar sprak over bekering, glimlachte ze: „Als God mij bekeert, brengt Hij me wel terug in de kerk.” Haar idee van bekering was dat je ergens in een weiland als een donderslag bij heldere hemel bekeerd wordt.”

 

Maar Abraham Kuypers leer van de veronderstelde wedergeboorte is ook geen juiste doopvisie, denkt u?
„Zeker niet. Kuyper ging ervan uit dat de jonge kinderen de kiem van de wedergeboorte hebben ontvangen en zag die veronderstelde wedergeboorte vervolgens als grond voor hun doop. De volgens hem al aanwezige genadekiemen in hun hart hoefden slechts uit te groeien tot geloof en bekering. Tussen de inplanting van de kiem en het ontkiemen kon desnoods wel zestig jaar zitten. Zo kun je levenslang blijven veronderstellen dat je wedergeboren bent zonder vrucht van geloof. Dat staat echter in groot contrast met het doopformulier.

Voor de opstellers van het formulier rustte de doop niet op de veronderstelde wedergeboorte, maar op Gods belofte.  Ook Gods
Geest behoorde tot Gods belofte. Vanuit deze belofte spraken zij over de Geest van de wedergeboorte bij kleine kinderen. 

Het ging hen om het oordeel van de liefde richting anderen, zodat zij niet veronderstelden dat alle kinderen zonder de Geest van geloof en wedergeboorte waren. Zij onderstreepten evenzeer dat ieder zichzelf moet onderzoeken of het werk van de Geest in onze ziel functioneert.”

 

In reformatorische kringen lijken steeds meer mensen de kinderdoop af te wijzen, terwijl zij wel bij de gemeente willen blijven waar ze lid zijn. Hoe moet je daarmee omgaan?

„Ik ken verschillenden die het doopstandpunt van de Engelse baptist Joseph Charles Philpot toegedaan zijn, die toch lid zijn van een reformatorische gemeente die de kinderdoop voorstaat. Zij mogen daar lid blijven, mits ze hun afwijzing van de kinderdoop niet openlijk propageren en daarmee tweedracht zaaien. Ze kunnen echter geen ambtsdrager zijn of lesgeven op de zondagsschool.

Omdat de kinderdoop vaak slechts als een symbool functioneert, snap ik de behoefte aan herdoop. Maar de kinderdoop blijft levenslang van kracht, ondanks onze verkeerde visie daarop. Eens kreeg ik een mail van een jongen die uit de drugswereld kwam. Hij was krachtdadig tot bekering gekomen en wilde opnieuw gedoopt worden. Begrijpelijk dat hij opnieuw wilde beginnen, maar een tweede doop is niet nodig.”

 

U zei dat u vanuit een positief-irenische benadering schreef. Waarover is men het in de volle breedte van de gereformeerde gezindte volstrekt eens als het gaat over de doop?
„Er zal niemand zijn die het opschrift van de wet, „Ik ben de HEERE, uw God”, niet betrekt op de hele gemeente. Het voorrecht van deze verbondsrelatie plaatst ieder gemeentelid onder het bevel van geloof en bekering, om zo in de nieuwe gehoorzaamheid van Gods verbond te wandelen. 

Daarbij gebruikt God de verkondiging van Wet en Evangelie om de afwassing van zonden en de dagelijkse vernieuwing van ons leven door Zijn Geest persoonlijk toe te eigenen. Als wij Gods verbond verwerpen, dan is dat ongehoorzaamheid die om verbondswraak roept.”

 

Veel kerkvaders lijken te zeggen dat tijdens de doop Gods genade ingestort wordt. Hoe zit dat?
„Augustinus zei bijvoorbeeld wel dat je door de doop wordt wedergeboren. Tegelijkertijd nuanceert hij dat, want volgens hem moeten gedoopten wel volharden in het geloof. De kracht van bronnen uit de Vroege Kerk is dat deze ons herinneren aan het sacramentele van de doop. De kerkvaders beschouwden de kerk niet zomaar als een clubje mensen bij elkaar, maar als het Lichaam van Christus.

Zonder overigens te ontkennen dat je uit dat Lichaam kunt vallen. De kerkvaders zagen het zo: er zijn ranken die vrucht dragen en ranken die geen vrucht dragen. Zij beschouwden het als een hoge verantwoordelijkheid om in Christus te blijven door geloof en bekering.”

 

Ooit hebt u gezegd dat u een piekeraar bent die moe wordt omdat hij alles wil doordenken. Ook op het gebied van de toe-eigening van het heil. Heeft uw veranderde visie op de doop geholpen om hier beter mee om te gaan?
„Door mijn zicht op de doop heb ik voor mezelf meer helderheid en vrijmoedigheid in het geloof gekregen. Als ik ’s avonds samen met mijn vrouw voor onze kinderen bid, dan is dat niet in het wilde weg, maar vanuit de vaste belofte en werkelijkheid dat God onze Vader is, en dat Hij Die van onze kinderen zal zijn.”

Wat als je kind toch afscheid neemt van het geloof? „Het valt niet te ontkennen dat verbondskinderen afwijken van Gods Woord. We kunnen het misschien niet theologisch kloppend krijgen dat God een verbond maakt en onze
Vader zal zijn, terwijl onze kinderen Hem verlaten. Maar we moeten niet het ongeloof als uitgangspunt nemen van onze verbondsvisie, om vervolgens onze theologie daarop af te stemmen. Echtscheiding bepaalt ook niet onze definitie van het huwelijk, maar het gebeurt wel.

Ik herinner mij een gesprek met een moeder van een afgedwaald kind. Ze zei, in tranen: „Ik hoop, in al mijn klachten, op Zijn onfeilbaar Woord. Mag ik dat wel zeggen?” Ik heb die verwachting van de HEERE aangemoedigd. Kinderen die afwijken, verbreken het verbond, net als bij echtbreuk. Maar wat een wonder, ons ongeloof doet Gods verbond niet teniet. Daarom zegt God tegen ongelovige en ontrouwe verbondskinderen: „Keer terug.””