95 stellingen over de Heilige Doop
In het 280e antwoord dat Zacharias Ursinus (1534-1583) in ‘De grote Catechismus of de hoofdzaken van de christelijke godsdienst’ geeft, lezen we de sterke uitdrukking dat ‘alléén aan de gelovigen zaken beloofd en voor hen alléén de sacramenten ingesteld zijn’. Deze lijn volgt onze gewaardeerde Nunspeetse broeder als hij stelt dat de Heilige Schrift leert dat de doop een teken en zegel is van Gods verbondsbelofte. Dat bewaart voor overschatting van het uiterlijke teken. De betekende zaak wordt niet door het water geschonken, maar alleen ontvangen door het geloof, uit genade, door de werking van de HeiligeGeest. We citeren: ‘Daarom staat in deze stellingen niet de dopeling centraal, maar Christus. Niet wat wij doen, maar wat Hij gedaan heeft. Niet ons verbondshouden, maar Zijn verbondstrouw. Niet onze waardigheid, maar Zijn gerechtigheid. Niet ons werk, maar Zijn volbrachte werk’.
Rond twaalf thema’s zijn 95 stellingen geformuleerd, die elk aan een of meerdere Bijbelteksten zijn ontleend. Elke stelling wordt met een kort betoog uitgewerkt met lijnen naar de Bijbel of onze confessie. Uiteindelijk mondt dit uit in een ‘les’ voor ons denken over de doop.
Bijzonder is de eerste les (bij de eerste stelling): ‘Een Bijbelse visie op de waterdoop kan niet om de doop van Johannes heen’. Vanuit het zelfgetuigenis van de Doper leren we dat er verschil is tussen de waterdoop en de Geestesdoop. Die laatste doop wordt ook ‘de doop der bekering tot vergeving der zonden genoemd’. Helder wordt uit het betoog dat de waterdoop niet de bekering zelf is of de vergeving, maar een zichtbaar teken. Bekering en vergeving worden alleen gewerkt door de Geestesdoop met vuur. De bekende kanttekening 15 (op Mattheüs 3 vers 11) komt daarbij aan de orde: ‘Johannes onderscheidt hier zijn uiterlijken doop van den inwendigen doop vanChristus, waarmede Hij onze harten door Zijn Geest zuivert, gelijk het vuur de metalen van alle schuim en onreinheden’. Al sprekend vanuit de waterdoop bij Bethábara over de Jordaan komt stelling 4 aan de orde (vanuit meerdere Schriftplaatsen): ‘Hieruit leren wij: het teken van de waterdoop wijst erop dat niet door natuurlijke geboorte, maar door geestelijke geboorte wordt gedeeld in de beloften van het verbond’.
Onderwijzend is de (onder ons gekozen) lijn die erop wijst dat het doopformulier ‘in het wezen des geloofs staat’. Gods kinderen, ware gelovigen, zijn aan het woord en bedelen of de dopeling(en) door de Heilige Geest wordt/worden ingelijfd in Christus.
Vanaf stelling 15 gaat het over ‘De doop van Christus’. Andere thema’s - waarbij stellingen zijn geformuleerd - dragen de titels: ‘De doop en het zendingsbevel’, ‘De doop der apostelen’, ‘De doop in Christus’, ‘God de Vader en de doop’, ‘De Heilige Geest en de doop’, ‘De doop en de besnijdenis’, ‘De doop en de dopeling’, ‘De doop van huisgezinnen’ en ‘De kinderdoop’.
De laatste stelling (95) gaat over het ‘grootste voorrecht van de dopeling’. Dat is niet de doop maar het Woord Gods, stelt ds. Schot. Dat Woord is het middel waardoor God werkt. Zondaren worden door dat Woord geroepen en door datzelfde Woord wordt het geloof gewerkt, de Middelaar geopenbaard en zijn alle andere weldaden bij de Heere te verkrijgen.
De 95 stellingen zijn als ‘bouwsteentjes’ die samen een ‘bouwwerk’ vormen. Het boek besluit dan ook met een beschrijving van dat bouwwerk. Dan wordt er nadrukkelijk op gewezen dat de Heilige Doop niet alleen voorrechten schenkt maar ook een grote verantwoordelijkheid met zich meebrengt: ‘Wie het verbondsteken draagt, wordt geroepen om de Heere te zoeken, te staan naar het ware geloof en Gods geboden te onderhouden’. De doop zonder geloof, bekering en Christus is tekort. En voor degenen die in Christus zijn, is het sacrament tot versterking van het geloof.
Er staat ontzettend veel in dit boek en het is erg leerzaam om dat te overdenken. Na het lezen van dit boek blijft nog wel de vraag over of er (met name voor de jonge generatie, nu baptistisch gedachtegoed zo oprukt) genoeg nadruk valt op de rijkdom van de Heilige Doop. Maar in de inleiding geeft onze broeder al aan dat het boek niet is bedoeld als ‘pastorale handreiking over de beleving van de doop’. Wellicht mogen we dat in de toekomst nog verwachten.